ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellante, werkzaam als bejaardenverzorgster sinds januari 2000, viel in juli 2000 uit wegens psychische klachten. Het UWV weigerde haar WAO-uitkering op grond van artikel 30, eerste lid, onder a van de WAO, omdat zij bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante stelde in hoger beroep dat het besluit op een onjuiste grondslag berustte, maar de Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad baseerde zich op medische verklaringen waaruit bleek dat de persoonlijkheidsstoornissen van appellante al in haar vroege volwassenheid begonnen en dat reguliere arbeid voor haar niet haalbaar was.
De Raad wees ook op verklaringen van appellante zelf, waarin zij haar beperkingen en psychische klachten uiteenzette. De Raad concludeerde dat appellante op de datum van aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was en bevestigde daarmee het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.