Uitspraak
19.4593 PW
4 oktober 2019, 19/698 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2009 bijstand als alleenstaande ouder. Vanaf 26 september 2017 woont haar meerderjarige dochter (21 jaar) bij haar in. Het college heeft daarop de bijstand verlaagd volgens de kostendelersnorm en een terugvordering opgelegd over de periode 26 september 2017 tot en met 30 september 2018.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de belastende familierechtprocedure en de noodzaak van steun voor haar dochter, de kostendelersnorm niet had moeten worden toegepast en dat het college de bijstand had moeten afstemmen.
De Raad oordeelt dat de artikelen 22a en 19a van de Participatiewet dwingendrechtelijk zijn en geen ruimte bieden voor afwijking van de kostendelersnorm, ook niet bij onredelijke of onbillijke uitkomsten. Afstemming van bijstand is slechts mogelijk in zeer bijzondere situaties, welke hier niet aanwezig zijn. Ook de terugvordering blijft gehandhaafd omdat appellante geen bewijs heeft geleverd van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen.
Daarmee wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en de terugvordering van bijstand.