ECLI:NL:CRVB:2020:1311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks visuele beperking
Appellant, geboren in 1997, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege zijn visuele beperking die hem maatschappelijk blind maakt. Het UWV wees de aanvraag af op grond van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, dat concludeerde dat appellant arbeidsvermogen heeft en vier uur per dag kan werken.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant ondanks zijn beperkingen een taak kan uitvoeren gedurende vier uur per dag, mede dankzij hulpmiddelen en zonder dat het zelfstandig kunnen reizen relevant is voor de beoordeling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV ten onrechte rekening hield met ondersteunende factoren zoals onderwijs en zelfstandig reizen, en dat hij de voorbeeldtaak 'telefonisch informatie verschaffen' niet kan uitvoeren. De Raad oordeelde dat deze taak onvoldoende geschikt is, maar stelde vast dat de taak 'invoeren van gegevens' wel passend is, mede door het gebruik van hulpmiddelen.
De Raad concludeerde dat appellant terecht is geacht vier uur per dag belastbaar te zijn en dat het UWV het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd, maar dat dit niet tot benadeling heeft geleid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.