ECLI:NL:CRVB:2020:123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand na strafrechtelijke veroordeling wegens niet-melding inkomsten
Appellant ontving sinds 2006 bijstand en werd onderzocht wegens ongebruikelijke transacties tussen 2007 en 2014. De gemeente Rotterdam herzag en vorderde de bijstand terug wegens niet-melding van middelen, gebaseerd op 52 money transfers en grote banktransacties. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het geld niet van hem was maar van derden en dat hij leningen moest terugbetalen. Hij stelde dat het opleggen van een oneindige bewaarplicht in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur en het EVRM. Tevens beriep hij zich op de onschuldpresumptie omdat de strafrechter een lager bedrag aan inkomsten had aangenomen.
De Raad oordeelde dat appellant feitelijk over de gelden kon beschikken en geen objectieve bewijsstukken leverde om het tegendeel aan te tonen. De bewijsnood is het gevolg van zijn eigen schending van de inlichtingenplicht. Leningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip. De onschuldpresumptie faalt omdat appellant strafrechtelijk is veroordeeld voor het niet tijdig verstrekken van gegevens. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep van appellant af.