ECLI:NL:CRVB:2019:968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wlz-zorg op grond van onvoldoende noodzaak 24-uurszorg bij verstandelijke beperking en psychiatrische klachten
Appellant, met een verstandelijke beperking en psychiatrische klachten, vroeg op 27 januari 2016 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag op 12 april 2016 af, omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een verstandelijke handicap en psychiatrische problematiek geen toegang tot de Wlz gaf.
Na bezwaar bracht medisch adviseur Dammar aanvullend advies uit, waarin werd geconcludeerd dat er wel sprake was van een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek, maar dat appellant niet afhankelijk was van 24-uurszorg omdat hij in staat was om hulp in te roepen. Het CIZ verklaarde het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond en handhaafde het standpunt dat geen 24-uurszorg noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant onvoldoende medische informatie had overgelegd om aan de conclusies van de medisch adviseur te twijfelen. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er tegenstrijdigheden waren in het indicatierapport, maar de Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat het gewijzigde standpunt van de medisch adviseur berustte op een veranderde gezondheidssituatie en dat appellant niet hoefde te worden onderzocht in persoon.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag Wlz-zorg wordt bevestigd.