ECLI:NL:CRVB:2019:944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.N.A. Bootsma
- J.J.A. Kooijman
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAW-uitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant had vanaf 19 maart 2010 een kamer gehuurd in de woning van X, met wie hij eerder een relatie had gehad. Het college concludeerde na onderzoek dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en trok de IOAW-uitkering van appellant in over de periode 2010-2016, met terugvordering van ruim €83.000.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar van een zakelijke huurrelatie. De Raad oordeelde dat uit verklaringen en huisbezoeken bleek dat er sprake was van financiële en persoonlijke verwevenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschreed. Ook werd vastgesteld dat eerdere informatie onjuist was.
De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering van de uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2019.
Uitkomst: De intrekking van de IOAW-uitkering en terugvordering worden bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.