ECLI:NL:CRVB:2019:921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens niet gemelde autohandel en bijschrijvingen zus
Appellant ontving bijstand vanaf 2012 en werd in een rechtmatigheidsonderzoek geconfronteerd met stortingen van zijn zus op zijn bankrekening en het bezit van 26 kentekens. Het college trok de bijstand in vanaf 2012 en vorderde terugbetaling wegens vermoedelijke autohandel en inkomsten uit stortingen. De rechtbank stelde de terugvordering lager vast en sloot stortingen van de zus uit.
In hoger beroep betoogde appellant dat sommige stortingen bedoeld waren voor het betalen van schulden en dat hij bedragen had teruggestort, wat een verrekening zou rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat stortingen van de zus als inkomen moeten worden beschouwd, ook als ze werden gebruikt voor betalingen, en dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor terugstortingen.
Verder stelde appellant dat hij recht had op bijstand over juli en september 2013 op basis van inkoopfacturen, maar de Raad vond dat hij geen verifieerbare gegevens over inkomsten uit autohandel had overgelegd. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd afgewezen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er zijn geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd; stortingen van de zus worden als inkomen beschouwd en het recht op bijstand wegens autohandel is niet aangetoond.