ECLI:NL:CRVB:2019:848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning volgens Wmo 2015 en CIZ-protocol
Appellante, geboren in 1940 en met diverse aandoeningen, vroeg op grond van de Wmo 2015 om een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Het college kende haar aanvankelijk 2 uur per week toe, later verhoogd naar 2,5 en vervolgens 3 uur per week, rekening houdend met haar medische situatie en persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank stelde in eerdere uitspraken dat het onderzoek van het college onvolledig was, met name ten aanzien van de frequentie van stofzuigen en wassen vanwege longklachten en incontinentie. Het college voerde aanvullend onderzoek uit en verhoogde de verstrekte uren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek incompleet was en de maatwerkvoorziening onvoldoende. De Raad oordeelde dat het college het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd volgens vaste rechtspraak en het CIZ-protocol, waarbij ook de persoonlijke situatie van appellante was betrokken. De Raad wees de klachten over onvoldoende tijd voor boodschappen en maaltijdverzorging af, omdat deze taken door appellante zelf of haar sociale netwerk werden uitgevoerd.
De Raad bevestigde de eerdere tussenuitspraak en verklaarde het beroep tegen het besluit van 22 juni 2018 ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 juni 2018 wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.