ECLI:NL:CRVB:2019:775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herberekening dagloon na ziekteperiode en loonvordering bij faillissement werkgever
Appellant was sinds 1 mei 2007 in dienst als havenmedewerker bij een werkgever die op 6 januari 2015 failliet werd verklaard. Appellant meldde zich ziek op 13 december 2013. Het UWV stelde het dagloon vast op €158,19 en weigerde een hogere berekening op basis van een door appellant gestelde langere ziekteperiode en onvolledige loonbetaling.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het loon in de referteperiode vorderbaar en inbaar was, mede omdat appellant de werkgever pas na afloop van de referteperiode schriftelijk aansprak. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het dagloon op grond van het Burgerlijk Wetboek moest worden vastgesteld en dat hij recht had op loon over gemiddeld 52 uur per week in plaats van 40, inclusief vakantietoeslag over overwerk.
De Raad stelde vast dat het UWV gebonden was aan het Dagloonbesluit en dat appellant niet had aangetoond dat hij de werkgever binnen de referteperiode op niet mis te verstane wijze had gemaand tot betaling van het loon. Wel erkende het UWV dat de ziekteperiode langer was dan aanvankelijk aangenomen, waardoor het dagloon opnieuw berekend moet worden. De Raad droeg het UWV op het besluit binnen vier weken te herstellen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het dagloon opnieuw te berekenen met inachtneming van de langere ziekteperiode, maar de overige vorderingen worden afgewezen.