ECLI:NL:CRVB:2019:758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering WAO-uitkering en boete wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering en had in de periode 2010-2015 inkomsten uit arbeid die niet bij het UWV bekend waren. Het UWV stelde bij besluit vast dat de uitkering te hoog was toegekend en vorderde ruim € 30.000 terug, legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht en voerde een invordering uit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante deels niet-ontvankelijk en oordeelde dat de boete terecht was opgelegd vanwege het benadelingsbedrag. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het invorderingsbesluit niet ontvankelijk had verklaard en dat de boete onterecht was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard en vernietigt de uitspraak. Na toelichting van het UWV ter zitting heeft appellante geen inhoudelijke gronden meer aangevoerd tegen de bedragen. De boete is terecht en evenredig geacht gezien het benadelingsbedrag van ruim € 30.000.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor het punt van ontvankelijkheid, maar het beroep wordt uiteindelijk ongegrond verklaard. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, de boete wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in proceskosten.