ECLI:NL:CRVB:2019:711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm vereist gezamenlijk hoofdverblijf, niet gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en woonde samen met een ander persoon die mantelzorg verleende. Het college verlaagde de bijstand met toepassing van de kostendelersnorm omdat appellant en de medebewoner gezamenlijk hoofdverblijf hadden. Appellant voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden en dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd was met het eigendomsrecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Raad overwoog dat de wetgever met de kostendelersnorm beoogt rekening te houden met schaalvoordelen van samenwonen in dezelfde woning, ongeacht of sprake is van een gezamenlijke huishouding. De inmenging in het eigendomsrecht is wettelijk voorzien en heeft een legitieme doelstelling. Appellant maakte niet aannemelijk dat de verlaging van bijstand tot een buitensporige last leidt.
De Raad bevestigde dat het inkomen en de bijdrage van de medebewoner niet relevant zijn voor de toepassing van de norm. Hoewel appellant en de medebewoner geen gezamenlijke huishouding voeren, is er wel sprake van gezamenlijk hoofdverblijf, wat voldoende is voor toepassing van de kostendelersnorm. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.