Appellante ontving van 2010 tot 2012 een WW-uitkering en startte in 2011 een eigen bedrijf met toestemming van het Uwv. Na onderzoek bleek dat appellante meer uren als zelfstandige werkte dan opgegeven, waardoor zij vanaf 18 juli 2011 geen recht meer had op de uitkering. Het Uwv vorderde daarom een bedrag van € 11.858,88 terug en legde een boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen had. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar onderneming klein en nauwelijks levensvatbaar was en dat terugbetaling tot faillissement zou leiden. Tevens stelde zij dat een werkcoach van het Uwv haar vertrouwen had gegeven dat terugvordering niet zou plaatsvinden.
De Raad oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel buiten de procedurele grenzen viel en niet in behandeling kon worden genomen. Verder onderschreef de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor onaanvaardbare financiële gevolgen. Afgesproken aflossingen en rekening houden met haar inkomenssituatie door het Uwv speelden daarbij een rol.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.