ECLI:NL:CRVB:2010:BM6024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering wegens zelfstandige arbeid zonder melding
Appellant ontving sinds november 2003 een WW-uitkering. Na een bestandvergelijking met de Belastingdienst bleek dat appellant in 2004 zelfstandigenaftrek had gekregen, wat leidde tot een onderzoek door het UWV. Hieruit bleek dat appellant van november 2003 tot januari 2006 veertig uur per week als zelfstandige werkte zonder dit te melden.
Het UWV trok de WW-uitkering met ingang van november 2003 in en vorderde ruim €42.000,- terug. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat geen dringende reden voor kwijtschelding bestond.
In hoger beroep voerde appellant persoonlijke omstandigheden aan, zoals zijn leeftijd, gezinssituatie en het ontbreken van inkomen van zijn echtgenote, alsmede het onaanvaardbaar zijn van de terugvordering. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg zijn om af te zien van terugvordering. Bovendien weigerde appellant mee te werken aan een inkomensonderzoek, waardoor de exacte gevolgen van de terugvordering niet inzichtelijk zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het terugvorderingsbesluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WW-uitkering wegens zelfstandige arbeid zonder melding.