ECLI:NL:CRVB:2019:665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid wegens dringende reden en weigering WW-uitkering
Appellant was sinds 1 december 2007 in dienst bij een werkgever en werd na functioneringsproblemen overgeplaatst. Na ziekmelding met rugklachten startte een onderzoek naar zijn gedragingen tijdens arbeidsongeschiktheid. Op grond van dit onderzoek en een deskundigenoordeel werd de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens dringende redenen.
Het Uwv kende appellant een Ziektewetuitkering toe, die later werd beëindigd omdat appellant weer geschikt werd geacht. Vervolgens werd een WW-uitkering toegekend, maar deze werd ingetrokken wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat geen dringende reden bestond en dat hij goed herstelgedrag had getoond. De Raad overwoog dat op grond van artikel 7:678 BW Pro en artikel 24 WW Pro een materiële beoordeling vereist is, waarbij alle omstandigheden worden meegewogen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een dringende reden en verwijtbaarheid, en dat de persoonlijke omstandigheden van appellant daaraan niet afdoen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de intrekking van de WW-uitkering per 3 augustus 2015. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en dat het Uwv terecht de WW-uitkering heeft ingetrokken per 3 augustus 2015.