ECLI:NL:CRVB:2019:510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing woonlandbeginsel en Wet herziening export kinderbijslag bij in Turkije wonende kinderen
Appellanten, die in Nederland wonen en kinderen in Turkije hebben, voerden aan dat zij op grond van het Verdrag tussen Nederland en Turkije (NTV), de Associatieovereenkomst en Besluit 3/80 recht hebben op kinderbijslag voor hun in Turkije wonende kinderen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had echter besluiten genomen waarbij het recht op kinderbijslag werd beëindigd of verminderd vanwege de Wet herziening export kinderbijslag (Whek) en het woonlandbeginsel.
De rechtbank Rotterdam had deze besluiten al bevestigd. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de uitleg van artikel 33 van Pro het NTV onderzocht en geoordeeld dat alleen Turkse werknemers met uitsluitend de Turkse nationaliteit die daadwerkelijk in Nederland werkzaam zijn aanspraak kunnen maken op kinderbijslag voor in Turkije wonende kinderen. Appellanten met dubbele nationaliteit of uitsluitend Nederlandse nationaliteit vallen hier niet onder.
Verder oordeelde de Raad dat het woonlandbeginsel, waarbij kinderbijslag alleen wordt toegekend voor kinderen die in Nederland wonen, niet in strijd is met internationale verdragen of het verbod op discriminatie. De Whek en het woonlandbeginsel dienen een legitiem doel en zijn proportioneel. Er is geen recht op kinderbijslag voor appellanten voor kinderen die in Turkije wonen. De aangevallen uitspraken van de rechtbank worden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten geen recht hebben op kinderbijslag voor in Turkije wonende kinderen op grond van de Whek en het woonlandbeginsel.