ECLI:NL:CRVB:2019:487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij weigering WW-uitkering
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van zijn WW-uitkering per 13 november 2015 wegens verwijtbare werkloosheid. Echter, appellant ontvangt vanaf 12 november 2015 een Ziektewet-uitkering en aansluitend een loongerelateerde WGA-uitkering. Volgens artikel 19 van Pro de WW vormen deze uitkeringen een uitsluitingsgrond voor recht op WW. Hierdoor kan appellant geen feitelijk resultaat bereiken met het hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat voor ontvankelijkheid in hoger beroep voldoende procesbelang vereist is, wat inhoudt dat het nastreven van het resultaat feitelijke betekenis moet hebben. Omdat appellant geen recht kan hebben op WW-uitkering vanwege de reeds lopende uitkeringen, ontbreekt dit belang.
Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst zij de vordering af. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.