ECLI:NL:CRVB:2019:436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen om de bijstand van appellante in te trekken en de kosten daarvan terug te vorderen van appellante en appellant. Het college baseerde het besluit op verklaringen van appellanten waaruit bleek dat zij vanaf kerst 2014 een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen zij niet hadden gemeld.
Appellanten voerden aan dat zij niet gehouden konden worden aan hun verklaringen, onder meer vanwege een schrijffout in de datum en de psychische gesteldheid van appellante. De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak een ondertekende verklaring zonder voorbehoud in het algemeen bindend is, ook als men later terugkomt op de verklaring. De schrijffout in de datum was onvoldoende om de verklaring te ontkrachten en appellante had het moment van aanvang van de gezamenlijke huishouding meerdere malen bevestigd.
Ook het beroep op PTSS werd niet onderbouwd en bood geen grond om de verklaring te verwerpen. Appellant had eveneens zijn verklaring zonder voorbehoud ondertekend en bevestigd dat de gezamenlijke huishouding vanaf kerst 2014 bestond. Het hoger beroep werd verworpen, waarmee het college terecht de bijstand introk en kosten terugvorderde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering van kosten wordt bevestigd.