Uitspraak
18.3137 WLZ, 18/6362 WLZ
OVERWEGINGEN
Wet langdurige zorg (Wlz) omdat zij uitsluitend buiten Nederland werkt. Dit volgt uit
artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004).
Centrale Raad van Beroep
Appellante verricht sinds 1 februari 2014 werkzaamheden voor een in Duitsland gevestigde kledingwinkel. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft haar niet verzekerd geacht voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en geweigerd een A1-verklaring af te geven, omdat zij volgens Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend in Duitsland werkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de Duitse wetgeving van toepassing is. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ook in Nederland werkzaamheden verrichtte en dat de Nederlandse wetgeving van toepassing zou moeten zijn op grond van artikel 13 van Pro Vo 883/2004. De Svb handhaafde haar standpunt.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een substantieel deel van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte. Haar bewijsstukken waren niet objectief of verifieerbaar, en haar belastingaangiften en verklaringen aan Duitse autoriteiten spraken dit tegen. Daarom is de Duitse wetgeving van toepassing en is de weigering van de Wlz-verzekering en A1-verklaring terecht.
Het beroep tegen het besluit van 2 november 2018 is eveneens ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante niet verzekerd is voor de Wlz en weigert de A1-verklaring af te geven.