ECLI:NL:CRVB:2019:408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaald verzoek halfwezenuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht herhaaldelijk om terug te komen op het besluit van 19 januari 2012 waarbij de Sociale verzekeringsbank (Svb) de toekenning van een halfwezenuitkering weigerde, omdat de dochter geen halfwees is volgens de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na eerdere afwijzingen en bezwaarprocedures zonder nieuwe feiten, diende appellante op 1 april 2016 opnieuw een verzoek in om het besluit te herzien.
De Svb wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die een herziening zouden rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellante geen nieuwe feiten had aangevoerd en haar stelling dat DNA-onderzoek niet meer mogelijk was, reeds in eerdere procedures was besproken zonder positief resultaat.
In hoger beroep stelde appellante dat de Svb onvoldoende had gemotiveerd waarom haar stelling over het DNA-onderzoek niet werd meegenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek een herhaling betrof en dat de Svb terecht het besluit handhaafde, omdat de aangevoerde feiten niet nieuw waren en het besluit niet onmiskenbaar onjuist was.
De Raad bevestigde dat bij duuraanspraken zoals de halfwezenuitkering een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst, waarbij voor het verleden alleen nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding geven tot herziening. Omdat de halfwezenuitkering als aparte uitkering in 2013 is afgeschaft, kan appellante na die datum geen aanspraak meer maken.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om terug te komen op het besluit tot weigering van een halfwezenuitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.