ECLI:NL:CRVB:2019:4054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing plaatsing op hogere functie na reorganisatie Politiewet 2012
Appellant vordert plaatsing op de functie van [naam functie 3], salarisschaal 11, na een reorganisatie binnen de politie. De korpschef had dit verzoek afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de criteria van de Notitie tijdelijke tewerkstellingen, die bepaalt dat men gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016 ononderbroken de niveaubepalende elementen van de gewenste functie moet hebben uitgeoefend.
Appellant voerde aan dat hij gedurende de periode van 1 oktober 2013 tot december 2014 de functie van [functie 4] bij [onderdeel] had waargenomen en dat deze werkzaamheden in overwegende mate overeenkwamen met de niveaubepalende elementen van de geambieerde functie. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de beleidsadviserende en regiefuncties van de hogere functie heeft vervuld, en dat zijn werkzaamheden veeleer pasten bij een lagere functie, te weten [naam functie 5].
De verklaring van de leidinggevende bevestigde dat appellant vooral uitvoerende taken verrichtte en dat beleidsmatige taken vrijwel ontbraken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat een collega die wel drie jaar onafgebroken de functie van [functie 4] had uitgevoerd, niet vergelijkbaar was met appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank dat het beroep van appellant ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; appellant wordt niet geplaatst op de geambieerde hogere functie.