ECLI:NL:CRVB:2019:4028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens niet verschijnen op bedrijfsarts spreekuren
Appellant was werkzaam via een uitzendovereenkomst en meldde zich ziek op 13 mei 2016. Het UWV nodigde appellant uit voor spreekuren bij de bedrijfsarts op 14 en 21 juli 2016, waarop appellant niet verscheen. Hierdoor ontstond onzekerheid over zijn actuele medische situatie en het recht op Ziektewet-uitkering.
Het UWV trok de uitkering per 14 juli 2016 in, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant verwijtbaar niet was verschenen en dat het UWV terecht een maatregel had opgelegd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het niet verschijnen op het eerste spreekuur niet meegewogen mocht worden en dat hij zich tijdig had afgemeld voor het tweede spreekuur wegens een epileptische aanval. De Raad oordeelde dat het niet verschijnen op beide spreekuren rechtvaardigt dat het UWV het recht op uitkering vanaf de eerste datum niet kon vaststellen.
De Raad concludeerde dat appellant op juiste wijze was opgeroepen, onvoldoende bewijs leverde voor afmelding en dat zijn medische verklaring niet objectief aantoont dat hij niet kon verschijnen. Door tegenstrijdige verklaringen van appellant werd het standpunt van het UWV bevestigd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij het UWV terecht de Ziektewet-uitkering introk wegens het niet nakomen van verplichtingen.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering per 14 juli 2016 wordt bevestigd wegens het niet verschijnen op bedrijfsarts spreekuren zonder geldige reden.