ECLI:NL:CRVB:2019:394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens juiste inschatting functionele beperkingen
Appellant meldde zich ziek in april 2013 en verzocht na afloop van de wachttijd om een WIA-uitkering. Het UWV stelde een verlies aan verdiencapaciteit van circa 33% vast en wees de uitkering af. De rechtbank vernietigde dit besluit deels vanwege onvoldoende motivering omtrent beperkingen in rubriek 3 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Na een nieuwe beoordeling met een aangepaste FML waarin rekening werd gehouden met de beperkingen door kou, tocht en droge lucht, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Appellant stelde dat het geschil breder moest worden beoordeeld en verwees naar aanvullende medische rapporten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het geschil beperkt is tot de rubriek 3-beperkingen zoals vastgesteld in de FML van mei 2016. De Raad concludeerde dat de beperkingen adequaat zijn verwerkt en dat de geduide functies de belastbaarheid niet overschrijden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant krijgt geen WIA-uitkering toegekend.