ECLI:NL:CRVB:2019:3890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering na beoordeling nieuwe medische feiten en arbeidskundige beperkingen
Appellante heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering, waarvan de eerste in 2009 werd afgewezen omdat zij niet als jonggehandicapte werd aangemerkt. Latere aanvragen werden beschouwd als verzoeken om terug te komen op het eerdere besluit. Nieuwe medische informatie werd overlegd, waaronder rapporten van psychiaters en verzekeringsartsen.
De artsen van het UWV stelden vast dat er weliswaar sprake was van nieuwe feiten, maar dat deze niet leidden tot een ander oordeel over de beperkingen van appellante op haar achttiende levensjaar. De beperkingen waren onvoldoende om een Wajong-uitkering toe te kennen, mede omdat de PTSS pas in 1991 volledig manifest werd en er geen medische aanwijzingen waren voor een urenbeperking of andere significante beperkingen rond haar achttiende.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze beoordeling. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en overtuigend was en dat het risico van het ontbreken van medische gegevens door het tijdsverloop voor rekening van appellante komt. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
De Raad wees ook het verzoek om het inschakelen van een deskundige af, omdat de bestaande medische rapporten voldoende waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-aanvraag wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.