ECLI:NL:CRVB:2019:3868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op studiefinanciering voor Unieburger zonder vijf jaar verblijfsvoorwaarde
Appellante, een Poolse Unieburger, kreeg studiefinanciering toegekend over de periode april tot en met december 2012. De minister herzag dit besluit omdat appellante niet voldeed aan de vereiste verblijfsvoorwaarde van vijf jaar en niet kon worden aangemerkt als migrerend werknemer.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij voldoende uren had gewerkt om de status van migrerend werknemer te verkrijgen. Het zich beschikbaar houden voor werk werd niet als voldoende bewijs geaccepteerd.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Appellante had slechts geringe en onregelmatige uren gewerkt, en de door haar overgelegde verklaringen en bewijsstukken waren onvoldoende concreet en overtuigend. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de studiefinanciering bevestigd omdat appellante onvoldoende bewijs levert van economische activiteit.