ECLI:NL:CRVB:2019:3866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op studiefinanciering voor Unieburger zonder vijf jaar verblijfsvoorwaarde
Appellant, een Roemeense Unieburger, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning en stelde het recht op studiefinanciering voor bepaalde periodes op nihil omdat appellant niet als migrerend werknemer werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor enkele maanden, maar oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk arbeid had verricht. Het zich beschikbaar houden voor werk volstaat niet.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde van betaalde werkzaamheden. De Raad oordeelde dat de minister terecht het recht op studiefinanciering heeft herzien en bevestigde de eerdere uitspraak, met enige aanvulling en verbetering van de motieven.
Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op studiefinanciering wordt herzien wegens onvoldoende bewijs van economische activiteit.