ECLI:NL:CRVB:2019:3865

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
18/1519 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op studiefinanciering voor Unieburger zonder vijf jaar verblijfsvoorwaarde

Appellante, een Roemeense Unieburger, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning voor de periode september 2011 tot en met februari 2012 en april tot en met augustus 2012, omdat appellante niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende had aangetoond ten minste 32 uur per maand feitelijk arbeid te hebben verricht. Het zich beschikbaar houden voor arbeid werd niet als voldoende bewijs geacht. Appellante voerde aan daadwerkelijk werkzaamheden te hebben verricht, maar de aangeleverde aanwijzingen boden onvoldoende houvast om de omvang van deze werkzaamheden vast te stellen.

De Centrale Raad van Beroep verwijst naar een vergelijkbare uitspraak en concludeert dat appellante terecht niet als migrerend werknemer is beschouwd. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met enige aanvulling van de gronden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op studiefinanciering wordt herzien wegens onvoldoende bewijs van economische activiteit.

Uitspraak

18/1519 WSF
Datum uitspraak: 4 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 februari 2018, 17/2656 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Gabrelian, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. De zaak is gelijktijdig met 16 vergelijkbare zaken behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gabrelian en mr. P.S. Folsche, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. B.C. Rots en mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft de Roemeense nationaliteit. De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellante vanaf september 2011 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend.
1.2.
Bij besluit van 29 januari 2016 heeft de minister de toekenning herzien en deze over de maanden september 2011 tot en met februari 2012 en april tot en met augustus 2012 op nihil gesteld omdat appellante in deze periodes niet is aan te merken als migrerend werknemer, zodat zij geen recht heeft op studiefinanciering.
1.3.
Bij besluit van 6 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 januari 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover hier van belang, overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in de resterende periode waarover de toegekende studiefinanciering is herzien, niet is te beschouwen als migrerend werknemer omdat zij niet heeft aangetoond dat zij ten minste 32 uur per maand feitelijk arbeid heeft verricht en dat het zich uitsluitend beschikbaar houden voor het verrichten van arbeid niet volstaat. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een reële constructie, waarbij onder gezag van een werkgever de verplichting bestond persoonlijk arbeid te verrichten en waarbij tegenover gewerkte uren een beloning stond. Volgens de rechtbank mocht de minister de toekenning herzien op de grond dat appellante wist of redelijkerwijs kon weten dat de toekenningsbeschikking onjuist was, omdat zij salarisspecificaties had overgelegd van maanden waarin zij in het geheel geen werkzaamheden had verricht, terwijl uit het beschikbare voorlichtingsmateriaal bekend had kunnen zijn dat dat wel vereist was.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Voor het beoordelingskader van deze zaak en de algemene beschouwingen over de rechtsvragen die – ook – in dit geding aan de orde zijn, wordt verwezen naar de uitspraak van heden in de zaak 18/852 WSF, ECLI:NL:CRVB:2019:3700. Deze uitspraak is aangehecht.
4.2.
In het geval van appellante is in geschil of zij over de maanden september 2011 tot en met februari 2012 en april tot en met augustus 2012 kon worden beschouwd als migrerend werknemer.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat zij in de onder 4.2 genoemde periodes daadwerkelijk betaalde werkzaamheden voor [bedrijf] heeft verricht. Het dossier bevat weliswaar enkele aanwijzingen (e-mails en foto’s) dat werkzaamheden zijn verricht, maar de omvang daarvan valt op basis daarvan niet vast te stellen, gesteld al dat deze aanwijzingen de werkzaamheden van (alleen) appellante betreffen. De door appellante ter zitting op haar werkzaamheden als ambassadeur voor [bedrijf] gegeven toelichting, biedt evenmin voldoende houvast voor een objectieve vaststelling van de omvang van de eventueel verrichte werkzaamheden en deze toelichting is daarom niet toereikend, ook niet in samenhang met de gegevens in het dossier. Nog afgezien van de vraag wat – in het voorliggende geval – het zich voor de overige uren beschikbaar houden voor werkzaamheden zou kunnen betekenen, moet worden vastgesteld dat appellante haar beschikbaarheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Bezien tegen de achtergrond van de beschouwingen in de onder 4.1 genoemde uitspraak en onder overneming van de in die uitspraak gegeven motivering, komt de Raad tot de slotsom dat de minister appellante terecht niet heeft beschouwd als migrerend werknemer en dat het recht op studiefinanciering van appellante over de in geding zijnde periode volledig mocht worden herzien.
4.4.
Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter, en E.E.V. Lenos en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.
(getekend) J. Brand
(getekend) M. Graveland