ECLI:NL:CRVB:2019:3865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op studiefinanciering voor Unieburger zonder vijf jaar verblijfsvoorwaarde
Appellante, een Roemeense Unieburger, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning voor de periode september 2011 tot en met februari 2012 en april tot en met augustus 2012, omdat appellante niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende had aangetoond ten minste 32 uur per maand feitelijk arbeid te hebben verricht. Het zich beschikbaar houden voor arbeid werd niet als voldoende bewijs geacht. Appellante voerde aan daadwerkelijk werkzaamheden te hebben verricht, maar de aangeleverde aanwijzingen boden onvoldoende houvast om de omvang van deze werkzaamheden vast te stellen.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar een vergelijkbare uitspraak en concludeert dat appellante terecht niet als migrerend werknemer is beschouwd. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met enige aanvulling van de gronden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op studiefinanciering wordt herzien wegens onvoldoende bewijs van economische activiteit.