ECLI:NL:CRVB:2019:3856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op studiefinanciering wegens onvoldoende bewijs migrerend werknemerschap
Appellante, een Roemeense Unieburger, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning voor de periode juli 2011 tot en met augustus 2012 omdat appellante niet voldeed aan de verblijfsvoorwaarde van vijf jaar en niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk betaalde arbeid had verricht bij het bedrijf waarvoor zij zich beschikbaar hield. Het enkele zich beschikbaar houden voor werk volstaat niet. Appellante leverde geen objectief bewijs, zoals salarisspecificaties die overeenkomen met daadwerkelijk gewerkte uren.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De verklaring van appellante aan de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst is onvoldoende als bewijs. De Raad verwijst naar een gelijktijdige uitspraak voor het beoordelingskader en concludeert dat de minister terecht het recht op studiefinanciering heeft herzien.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de aangevallen uitspraak met enige verbetering van de motivering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op studiefinanciering wordt herzien wegens onvoldoende bewijs van migrerend werknemerschap.