ECLI:NL:CRVB:2019:3849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering toeslag wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 2004 een arbeidsongeschiktheidsuitkering met toeslag. Uit onderzoek bleek dat hij vanaf 10 april 2006 niet meer samenwoonde met zijn partner en kinderen, wat niet was doorgegeven. Het UWV herzag de toeslag en vorderde onverschuldigde betalingen terug, daarnaast legde het een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant zijn meldingsplicht had geschonden. De boete werd wel verlaagd wegens draagkracht. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn situatie en beperkte integratie het niet verwijtbaar maakten de wijziging niet door te geven en dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot uitstel van de zitting had afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep verwierp deze gronden, bevestigde het oordeel van de rechtbank over de schending van de inlichtingenplicht en de rechtmatigheid van de herziening en terugvordering. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de toeslag worden bevestigd.