ECLI:NL:CRVB:2019:3842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit zorgkantoor over persoonsgebonden budgetten 2011-2014
Appellant had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het zorgkantoor over de verlening van persoonsgebonden budgetten (pgb) voor de periode van 24 juni 2011 tot en met 31 december 2011 en de jaren 2012, 2013 en 2014. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het beroep ongegrond had verklaard.
De Raad stelde vast dat het zorgkantoor niet verplicht was hogere pgb’s te verlenen dan reeds toegekend en dat er geen bedrag voor vervoer hoefde te worden verstrekt omdat appellant hiervoor niet was geïndiceerd. De Raad benadrukte dat de indicatie tot 23 juni 2026 niet betekent dat het zorgkantoor pgb’s tot die datum moet verlenen, omdat er een onderscheid is tussen indicatiestelling en realisering van zorg.
Verder oordeelde de Raad dat het verantwoordingsvrije bedrag terecht op maximaal 1,5% van het netto pgb was vastgesteld en dat het zorgkantoor geen voorschotten hoefde te betalen omdat de pgb’s met terugwerkende kracht werden verleend. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor de gewijzigde pgb-verleningen kan handhaven en geen pgb voor vervoer of voorschotten hoeft te verstrekken.