Appellante viel sinds november 2011 uit wegens psychische klachten en kreeg in oktober 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 53%. Het Uwv verklaarde haar bezwaar tegen deze vaststelling ongegrond, waarna appellante beroep instelde. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die meerdere psychische aandoeningen vaststelde en meer beperkingen aanwees dan eerder aangenomen. De arbeidsongeschiktheid bleef echter op 53% vastgesteld na aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en selectie van passende functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden, dat het medisch onderzoek ten onrechte in Nederland plaatsvond en dat haar beperkingen onderschat waren. De Raad oordeelde dat de rechtbank geen procesrechtelijke fouten had gemaakt, het medisch onderzoek conform Europese regelgeving mocht plaatsvinden in Nederland en dat de deskundige rapporten overtuigend en consistent waren. De door appellante aangevoerde extra klachten waren onvoldoende onderbouwd of kwamen pas na de datum in geding naar voren.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin het griffierecht niet werd vergoed en bevestigde de rest van de uitspraak. Tevens werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep. Het griffierecht van € 169 werd aan appellante vergoed.