Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3395

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2019
Publicatiedatum
30 oktober 2019
Zaaknummer
17/6109 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verhuiskostenvergoeding wegens ontbreken noodzaak tot verhuizing

Appellant, bekend met COPD en diverse lichamelijke klachten, heeft een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Coevorden wees deze aanvraag af omdat er geen noodzaak tot verhuizing bestond, mede gelet op eerdere aanpassingen aan de woning.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte zijn zaak had beperkt tot de verhuiskostenvergoeding en dat er sprake was van belangenverstrengeling en onheuse bejegening door de rechter. Tevens verzocht hij om schadevergoeding.

De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht alleen de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding heeft beoordeeld, omdat het bestreden besluit zich daarop beperkte. De rechtbank bood appellant voldoende gelegenheid om te onderbouwen dat zijn woning niet meer toereikend was, zonder dat hij zijn ziekte moest bewijzen. Er was geen sprake van belangenverstrengeling of onheuse bejegening.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De aanvraag voor verhuiskostenvergoeding wordt afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

17.6109 WMO15

Datum uitspraak: 30 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 augustus 2017, 16/4750 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Bottema.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1954, is bekend met COPD en verscheidene lichamelijke klachten. In verband met zijn beperkingen heeft het college woonvoorzieningen aan appellant verstrekt. Ook heeft het college een scootmobiel en een rolstoel aan appellant verstrekt en is hij in aanmerking gebracht voor huishoudelijke hulp en begeleiding.
1.2.
Appellant heeft op 5 juli 2016, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, bij het college een aanvraag gedaan voor een verhuiskostenvergoeding.
1.3.
Bij besluit van 26 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2016
(bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat geen noodzaak bestaat voor het toekennen van een verhuiskostenvergoeding. Gelet op de in het verleden verrichte aanpassingen aan de woning, zijn er geen belemmeringen die aan een normaal gebruik van de woning door appellant in de weg staan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank zijn zaak ten onrechte heeft beperkt tot de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding. Daarnaast heeft de behandelend rechter van de rechtbank hem onheus bejegend en was sprake van belangenverstrengeling tussen de rechter en het college. Dit blijkt uit de omstandigheid dat appellant moest aantonen dat hij ziek is, terwijl dit al jaren bekend is. Ten slotte heeft appellant gevraagd om toekenning van schadevergoeding.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank zich beperkt tot het geven van een oordeel over de afwijzing van de door appellant aangevraagde verhuiskostenvergoeding, omdat het bestreden besluit uitsluitend op dit punt een beslissing van het college bevat.
4.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor appellant geen noodzaak bestaat om te verhuizen. De behandelend rechter van de rechtbank heeft appellant de gelegenheid geboden om nader te onderbouwen dat gezien zijn medische situatie zijn woning niet meer toereikend zou zijn en dat wél een noodzaak bestaat om te verhuizen. Ter zitting bij de rechtbank is appellant hiermee akkoord gegaan. Anders dan appellant heeft gesteld, betekent dit niet dat hij moest bewijzen dat hij ziek is, maar dat hem gelegenheid is geboden om nader te onderbouwen dat hij vanwege zijn ziekte belemmerd wordt in het normale gebruik van zijn woning. Ook kan hieruit niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een belangenverstrengeling tussen de rechter en het college. Van een onheuse bejegening door de rechter is evenmin gebleken. Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd, richt zich niet tegen het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel en kan dan ook niet tot vernietiging van die uitspraak leiden.
4.3.
Wat is overwogen in 4.1 en 4.2 betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit oordeel brengt mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019.
(getekend) D.S. de Vries
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
md