Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande, terwijl de Sociale Verzekeringsbank (Svb) had vastgesteld dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voeren en daarom AIO-aanvulling en ouderdomspensioen naar de norm voor gehuwden ontvingen.
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2017 in, omdat op grond van de registratie van de Svb sprake is van een gezamenlijke huishouding. Appellant voerde verweer tegen deze beslissing, onder meer dat de registratie onjuist was en dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde.
De Raad oordeelde dat de registratie van de Svb rechtsgevolgen heeft en dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat deze registratie onjuist is. Appellant had bezwaar kunnen maken tegen het Svb-besluit, maar heeft dit nagelaten. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en verklaarde het hoger beroep ongegrond.