Appellante was werkzaam bij haar werkgever voor 22,8 uur per week, waarvan 5 uur per week per 1 mei 2017 werd beëindigd en het dienstverband voor 17,8 uur per week werd voortgezet. Na een WW-uitkering toegekend per 1 mei 2017, meldde zij zich op 3 augustus 2017 ziek en kreeg zij een ZW-uitkering toegekend per 7 augustus 2017. Het UWV bracht 70% van de inkomsten die appellante naast haar ZW-uitkering had uit het dienstverband van 17,8 uur per week in mindering op haar ZW-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze korting en stelde dat de inkomsten uit het dienstverband van 17,8 uur per week niet gekort mochten worden op grond van artikel 3:2, vierde lid, onder b, van het Algemeen Inkomstensbesluit (AIB). De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de inkomsten uit dezelfde werkzaamheden kwamen als waaruit het recht op de ZW-uitkering was ontstaan, waardoor de uitzonderingsbepaling niet van toepassing was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank onbegrijpelijk had geoordeeld en dat de inkomsten uit het dienstverband van 17,8 uur per week niet gekort mochten worden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante niet had onderbouwd dat de uitzonderingssituatie van artikel 3:2, vierde lid, onder b, van het AIB van toepassing was. De Raad bevestigde dat het UWV de inkomsten terecht in mindering had gebracht op de ZW-uitkering en wees het hoger beroep af.