Appellant ontving bijstand over meerdere periodes en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Uit een politieonderzoek naar hennepkwekerijen bleek dat appellant huurder was van een tweede woning waar een kwekerij was aangetroffen. Appellant had deze tweede woning niet gemeld aan het college, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde.
Het college herzag en trok de bijstand over de betreffende periodes in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep beperkte het geschil zich tot de periode 2002-2008. Appellant voerde aan dat de huurovereenkomst in die periode inactief was en dat een ander in de woning woonde, waardoor hij geen melding hoefde te doen.
De Raad oordeelde dat inkomsten uit verhuur als middelen worden beschouwd en dat appellant daarom de huurovereenkomst had moeten melden. Het ontbreken van melding leidde tot bewijsnood bij appellant, die onvoldoende inzicht gaf in de feitelijke situatie omtrent de tweede woning. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.