ECLI:NL:CRVB:2019:32
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke kasstortingen
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand en een tegemoetkoming op grond van de Participatiewet en de Regeling Tegemoetkoming Meerkosten. Na een controle waarbij appellant werkend werd aangetroffen, stelde de gemeente Amsterdam een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek bracht tientallen kasstortingen aan het licht op rekeningen van appellant en zijn gezin, waarvan de herkomst onduidelijk bleef.
Appellant verklaarde dat de kasstortingen afkomstig waren van opnames van zijn creditcard, leningen van vrienden en geld van zijn broer, en dat hij met geld schuifelde tussen rekeningen. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kasstortingen voortkwamen uit schuiven met geld, mede omdat de verklaringen inconsistent waren en niet volledig onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen en de bijstand terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en tegemoetkoming worden bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van de herkomst van kasstortingen.