ECLI:NL:CRVB:2019:318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herberekening dagloon en verrekening WW-uitkering bij samenloop uitkeringen
Appellant had recht op een WW-uitkering (recht 1) vanaf februari 2014 en kreeg in september 2015 een nieuw recht (recht 2) vanwege gewijzigde arbeidsomstandigheden. Het UWV paste de inkomsten uit arbeid correct in mindering op de uitkeringen en herrekende het dagloon volgens de geldende wet- en regelgeving, waaronder de WW, het Dagloonbesluit en het Algemeen inkomensbesluit Socialezekerheidswetten (AIB).
De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en bepaalde correcties op het GAA en de ingangsdatum van recht 2. In hoger beroep betwist appellant de herberekening van het dagloon in maanden waarin recht 2 eindigde en de wijze van verrekening van inkomsten met de uitkeringen. Tevens stelde hij een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege een passage in het besluit van 18 september 2015.
De Raad oordeelt dat het UWV de wettelijke regels correct heeft toegepast, onder meer dat het dagloon van recht 1 niet wordt aangepast bij het beëindigen van recht 2 wegens inkomsten, tenzij de maximale uitkeringsduur is bereikt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat inkomsten slechts op recht 2 zouden worden verrekend. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.