ECLI:NL:CRVB:2019:2985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WW-uitkering na zelfgenomen ontslag
Appellant was werkzaam bij een werkgever op basis van tijdelijke contracten en nam op 23 juni 2016 zelf ontslag na een officiële waarschuwing wegens onvoldoende prestaties en negatief gedrag. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellant kon worden verlangd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat de waarschuwing onterecht was en dat hij niet verwijtbaar werkloos was geworden. Het UWV wijzigde het besluit deels en kende de WW-uitkering toe over de periode van 28 augustus tot 22 september 2016, maar handhaafde de weigering voor de periode daarvoor. De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat geen zwaarwegende bezwaren tegen voortzetting van het dienstverband waren gebleken. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de gemiste WW-uitkering werd deels toegewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het gewijzigde besluit wordt ongegrond verklaard, en het verzoek om wettelijke rente wordt deels toegewezen.