ECLI:NL:CRVB:2019:2968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis na WIA-uitkering
Appellant was sinds 9 januari 2011 ziek gemeld en ontving vanaf 6 januari 2013 een WGA-uitkering en aansluitend een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA. Deze uitkering werd per 24 april 2016 beëindigd. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, maar het UWV wees dit af omdat appellant in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid minder dan 26 weken had gewerkt. Arbeidsuren die al waren meegeteld voor de WIA-uitkering mochten niet opnieuw worden meegeteld voor de WW-uitkering, conform artikel 17a, tweede lid, WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellant voerde aan dat hij volledig arbeidsongeschikt was tijdens de WGA-periode en dat hij daarom recht zou moeten hebben op WW, verwijzend naar artikel 17a, eerste lid, WW. De Raad oordeelde dat dit argument niet overtuigend was en dat de situatie van appellant niet afwijkt van eerdere jurisprudentie.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd omdat appellant niet voldoet aan de referte-eis van artikel 17 WW Pro en dat arbeidsuren die al zijn gebruikt voor de WIA-uitkering niet opnieuw mogen worden meegeteld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering omdat hij niet voldoet aan de referte-eis uit artikel 17 WW.