ECLI:NL:CRVB:2019:2868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling dagloon en duur WW-uitkeringen na werkloosheid
Appellante ontving meerdere WW-uitkeringen over verschillende perioden en arbeidsuren, waarbij het UWV het dagloon en de uitkeringsduur berekende op basis van de geldende regelgeving, waaronder het Dagloonbesluit 2015. Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van het dagloon en de duur van haar rechten, met name met betrekking tot de dagloongarantie en de herleving van oude WW-rechten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet benadeeld was door de wijzigingen in de WW-regeling per 1 juli 2015 en dat het oude WW-recht correct was herleefd. In hoger beroep voerde appellante aan dat de dagloongarantie van toepassing moest zijn en dat het UWV onvoldoende inzicht had gegeven in de berekening van de uitkeringsduur.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de daglonen en uitkeringsduur juist had vastgesteld, dat de oude dagloongarantieregeling niet van toepassing was op het nieuwe WW-recht dat vanaf 1 juli 2015 was ontstaan, en dat appellante geen concrete gronden had aangevoerd om de berekening van de uitkeringsduur onjuist te achten. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.