ECLI:NL:CRVB:2019:2843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon WW-uitkering ondanks betwisting arbeidsverhouding
Appellante was van 1 augustus 2013 tot 30 april 2015 in dienst bij een werkgever en vroeg per 1 mei 2015 een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van het dienstverband bij die werkgever, zonder inkomsten van een vermeend dienstverband bij BV mee te nemen. Appellante betwistte dit en overhandigde loonstroken en een arbeidsovereenkomst met BV.
Het UWV vermoedde een gefingeerd dienstverband en voerde een onderzoek uit waaruit bleek dat het dienstverband niet in de polisadministratie stond en de omvang en duur van de werkzaamheden onduidelijk waren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat zij daadwerkelijk en gedurende de volledige periode bij BV werkte en loon ontving.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, onder meer dat het UWV op grond van beleidsregels haar stukken had moeten accepteren en dat de Belastingdienst haar aangifte had geaccepteerd. De Raad oordeelde dat het primair op appellante lag om met concrete en eenduidige gegevens haar werkzaamheden en inkomsten aan te tonen, wat niet was gelukt. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad oordeelde tevens dat er geen sprake was van schending van het recht op een eerlijk proces of van een goede procesorde. De proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 augustus 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het dagloon door het UWV wordt bevestigd.