ECLI:NL:CRVB:2019:2809
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tenuitvoerlegging voorwaardelijk ontslag wegens herhaald plichtsverzuim
Appellant was sinds 1999 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en kreeg op 12 november 2015 een voorwaardelijk ontslag opgelegd vanwege herhaald plichtsverzuim, waaronder het niet naleven van werktijden. De voorwaardelijke straf stelde dat appellant zich drie jaar lang niet schuldig mocht maken aan soortgelijk plichtsverzuim.
In de periode van 30 september tot en met 25 november 2016 kwam appellant acht keer te laat op het werk, wat in strijd was met de bijzondere voorwaarden van het voorwaardelijk ontslag. Ondanks medische beperkingen, waaronder sarcoïdose, was er geen bewijs dat het te laat komen hem niet kon worden toegerekend. De bedrijfsarts had een aangepaste werkweek en aanvangstijd geadviseerd, waar appellant mee instemde.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft daarop het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer gelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afzagen van tenuitvoerlegging rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim de voorwaarde voor tenuitvoerlegging vervulde en dat het college bevoegd was het ontslag uit te voeren. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag wegens herhaald plichtsverzuim.