Verzoeker ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg twee keer een verlaging van zijn bijstandsuitkering opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Heerlen. Na bezwaar en beroep werd een deel van deze maatregelen vernietigd door de rechtbank. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd een schikking getroffen over de inhoudelijke geschillen, maar het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bleef staan.
De Raad beoordeelde dat de totale duur van de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 26 mei 2015 tot intrekking van het hoger beroep op 18 juni 2019 ruim vier jaar bedroeg, wat de redelijke termijn met ongeveer drie weken overschrijdt. Gezien de aard van de zaak en het verloop van de procedure was deze overschrijding niet gerechtvaardigd.
De Raad veroordeelde daarom de Staat tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 aan verzoeker. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, begroot op €565,48. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 juli 2019.