ECLI:NL:CRVB:2019:265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van pgb-verantwoording voor zorg door Studiekring als begeleiding in AWBZ
Appellante, met een psychiatrische aandoening, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor wees een deel van de verantwoording van het pgb af omdat de door Studiekring geleverde zorg voornamelijk onderwijsgerelateerd was en niet viel onder de definitie van begeleiding volgens artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA).
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het zorgkantoor een nieuw besluit te nemen. Vervolgens verklaarde het zorgkantoor een deel van de kosten van [school] alsnog goed, maar handhaafde het oordeel over Studiekring.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de feitelijke aard van de zorg door Studiekring, die ook gericht zou zijn op sociale stimulering en zelfstandigheid. De Raad concludeerde echter dat uit e-mails en correspondentie blijkt dat de zorg vooral huiswerkbegeleiding betrof, gericht op onderwijsinhoud en toetsvoorbereiding.
Omdat een zorgplan ontbrak en niet duidelijk was in welke mate andere vormen van begeleiding werden geboden, kon niet worden vastgesteld dat er sprake was van begeleiding als bedoeld in artikel 6 BzA Pro. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit van 24 maart 2017 wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.