ECLI:NL:CRVB:2019:2529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging indeling medewerker bedrijfsvoering III schaal 7 na functiewaardering
Appellant, sinds 1999 werkzaam bij de gemeente, was benoemd als administratief medewerker begraafplaatsen in schaal 6. Per 1 april 2016 werd hij op basis van het functiewaarderingssysteem HR21 ingedeeld in de normfunctie Medewerker bedrijfsvoering III, schaal 7. Appellant maakte bezwaar tegen deze indeling, dat ongegrond werd verklaard door het college.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en stelde dat de functiebeschrijving van 2010 als uitgangspunt mocht gelden, omdat appellant destijds geen rechtsmiddelen had aangewend en er geen verzoek tot functieonderhoud was gedaan. De rechtbank oordeelde dat het college niet gehouden was tot actualisering en dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden doordat een inhuurkracht in schaal 8 werd beloond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de ontwikkelingen na 2010 niet waren meegewogen, dat het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden en dat zijn functie een vakspecialisme betrof waardoor hij in schaal 8 moest worden ingedeeld. Het college stelde dat de beoordeling van de functie actueel was en dat appellant juist was bevorderd van schaal 6 naar schaal 7.
De Raad oordeelde dat de toetsing terughoudend is en dat de indeling niet onhoudbaar is. De werkzaamheden van appellant vormden een uitwerking van de functiebeschrijving van 2010. De motivering was bij het bestreden besluit hersteld en er was geen sprake van gelijke gevallen met de inhuurkracht. De normfunctie is toepasbaar op meerdere vakgebieden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de indeling van appellant in schaal 7 en wijst het hoger beroep af.