ECLI:NL:CRVB:2019:2529

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2019
Publicatiedatum
30 juli 2019
Zaaknummer
18/4534 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging indeling medewerker bedrijfsvoering III schaal 7 na functiewaardering

Appellant, sinds 1999 werkzaam bij de gemeente, was benoemd als administratief medewerker begraafplaatsen in schaal 6. Per 1 april 2016 werd hij op basis van het functiewaarderingssysteem HR21 ingedeeld in de normfunctie Medewerker bedrijfsvoering III, schaal 7. Appellant maakte bezwaar tegen deze indeling, dat ongegrond werd verklaard door het college.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en stelde dat de functiebeschrijving van 2010 als uitgangspunt mocht gelden, omdat appellant destijds geen rechtsmiddelen had aangewend en er geen verzoek tot functieonderhoud was gedaan. De rechtbank oordeelde dat het college niet gehouden was tot actualisering en dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden doordat een inhuurkracht in schaal 8 werd beloond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de ontwikkelingen na 2010 niet waren meegewogen, dat het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden en dat zijn functie een vakspecialisme betrof waardoor hij in schaal 8 moest worden ingedeeld. Het college stelde dat de beoordeling van de functie actueel was en dat appellant juist was bevorderd van schaal 6 naar schaal 7.

De Raad oordeelde dat de toetsing terughoudend is en dat de indeling niet onhoudbaar is. De werkzaamheden van appellant vormden een uitwerking van de functiebeschrijving van 2010. De motivering was bij het bestreden besluit hersteld en er was geen sprake van gelijke gevallen met de inhuurkracht. De normfunctie is toepasbaar op meerdere vakgebieden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de indeling van appellant in schaal 7 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

18.4534 AW

Datum uitspraak: 25 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juli 2018, 17/458 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en enkele vragen van de zijde van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.G. Zittema en drs. H.E. Bannink.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, vanaf 1999 werkzaam bij de gemeente, was benoemd als administratief medewerker begraafplaatsen, aan welke functie schaal 6 was verbonden. Bij besluit van 10 februari 2016 heeft het college, met toepassing van het functiewaarderingssysteem HR21 en de daaraan gekoppelde functieconversie, appellant per 1 april 2016 benoemd in de normfunctie Medewerker bedrijfsvoering III, schaal 7. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 december 2016 ongegrond verklaard (bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Kort samengevat heeft de rechtbank overwogen dat de functiebeschrijving van de functie van administratief medewerker begraafplaatsen van 1 november 2010 als uitgangspunt mocht gelden voor de inpassing, omdat appellant daartegen in 2010 geen rechtsmiddelen heeft aangewend en hij nadien ook niet heeft gevraagd om functieonderhoud. Het college stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat er sinds 2010 geen relevante ontwikkelingen in de functie zijn geweest en het college was niet gehouden om een nieuwe functiebeschrijving op te maken. De rechtbank is appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het vertrouwensbeginsel is geschonden door het niet honoreren van de toezegging van zijn leidinggevende van 29 oktober 2009 met betrekking tot zijn functieniveau. Door de aanvankelijk ontbrekende motivering voor de indeling is appellant niet benadeeld. De rechtbank acht, in lijn met het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, de inpassing in de functie Medewerker bedrijfsvoering III niet onhoudbaar. Dat een medewerker op inhuurbasis met hetzelfde werk als appellant beloond wordt volgens schaal 8 levert geen schending van het gelijkheidsbeginsel op, omdat die collega geen ambtenaar-rechtelijke aanstelling heeft.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij ten onrechte is ingepast op basis van de functiebeschrijving van 2010 en dat de rechtbank ten onrechte die functiebeschrijving maatgevend acht. De rechtbank miskent dat de Raad in zijn uitspraak van 4 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6768 heeft geoordeeld dat eerst de omvang en de reikwijdte van de opgedragen taken duidelijk moeten zijn om als basis te kunnen dienen voor de indeling in een generieke functie. De ontwikkelingen in de functie van appellant na 2010 kunnen niet buiten beschouwing blijven. Appellant heeft er op gewezen dat het college sommige functies wel heeft geactualiseerd. Het was kennelijk niet nodig om een verzoek tot herwaardering of functieonderhoud in te dienen en met appellant is geen contact geweest over een eventuele actualisering. Het laten vervallen van de functie van senior juridisch medewerker in 2013 had volgens appellant invloed op zijn takenpakket. Verder heeft appellant herhaald dat het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, dat zijn functie een vakspecialisme betreft en op die grond niet is in te passen in de beschikbare normfuncties en dat hij in schaal 8 moet worden ingedeeld.
4. Het college heeft aangevoerd dat de door appellant genoemde uitspraak van 2007 niet over een generieke maar over een organieke inpassing ging. Het college heeft wel degelijk de zwaarte van de functie en de noodzaak tot actualisering van de functiebeschrijving beoordeeld. De functionaris van het bureau dat bij de omzetting van de functies is ingeschakeld heeft in overleg met de leidinggevende bezien of de beschrijving van de functie nog actueel was en in welke schaal de functie moest worden ingedeeld. Voor appellant leidde die beoordeling tot indeling in een hogere schaal, hij is bevorderd van schaal 6 naar schaal 7. Bij de reorganisatie in 2013 zijn een aantal taken van de senior administratief medewerker overgegaan naar de functie van beheerder begraafplaatsen. Het college blijft van oordeel dat appellant op de juiste wijze is ingepast.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de rechterlijke toetsing bij de inpassing van generieke functies volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3359) terughoudend is. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden inpassing niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daartoe is ontoereikend dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf denkbaar is.
5.2.
Wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de door hem verrichte taken geeft geen wezenlijk ander beeld dan de (hoofd)taken die zijn opgenomen in de functiebeschrijving die hier als uitgangspunt is gehanteerd. De werkzaamheden die appellant in zijn bezwaarschrift heeft opgesomd, vormen een uitwerking van die in de functiebeschrijving opgenomen taken. De organisatiewijziging in 2013 betekende dat de beschrijving in de functiebeschrijving van 2010 “overlegt in complexe gevallen met de senior juridisch administratief medewerker” en “meldt knelpunten in de werkprocessen en draagt verbetersuggesties aan voor de administratieve werkprocessen en voor de verordeningen; bespreekt deze met de senior juridisch administratief medewerker” in zoverre is achterhaald, dat die vormen van overleg plaatsvinden met de beheerder begraafplaatsen. Dat dit voor het college geen aanleiding heeft gegeven om de functiebeschrijving te actualiseren maakt niet dat de bestreden inpassing onhoudbaar is. Er is rekening gehouden met het functiegebouw ten tijde van de indeling. Niet is gebleken dat is uitgegaan van opgedragen werkzaamheden op een onjuist niveau. Voor in het verleden tijdelijk verrichte extra werkzaamheden (o.a. beheerstaken) is appellant apart beloond.
5.3.
Dat de motivering van de inpassing van de functie van appellant pas tijdens de bezwaarprocedure is gegeven, leidt evenmin tot vernietiging van het bestreden besluit. Het motiveringsgebrek dat aan het besluit van 10 februari 2016 kleefde, is bij het bestreden besluit hersteld en appellant is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
5.4.
De grief van appellant dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de collega die via een inlenersconstructie dezelfde functie vervult, te belonen in schaal 8 treft evenmin doel. Deze functionaris vervulde de functie van administratief/juridisch medewerker op HBO‑niveau en er was geen sprake van een ambtelijke aanstelling. Er was dus geen sprake van gelijke gevallen.
5.5.
Ten slotte volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat zijn functie niet mocht worden ingepast in de normfunctie Medewerker bedrijfsvoering III, omdat deze functie een vakspecialisme betreft. Het is juist het kenmerk van normfuncties dat ze voor meerdere vakgebieden toepasbaar zijn.
5.6.
Gelet op 5.1 tot en met 5.5 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de in geding zijnde indeling op voldoende gronden berust. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.T. van den Corput en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2019.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) F. Demiroğlu
md