ECLI:NL:CRVB:2019:248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezamenlijke huishouding en intrekking bijstand herzien na cassatie
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Venlo, waarin haar bijstand werd ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [X] zonder melding daarvan. Na vernietiging van eerdere uitspraken door de Hoge Raad werd het onderzoek heropend.
De Raad beoordeelde of appellante en [X] vanaf 1 mei 2010 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, WWB. Getuigenverklaringen van omwonenden en bevindingen bij een huiszoeking, waaronder persoonlijke bezittingen en e-mailcorrespondentie, maakten aannemelijk dat het zwaartepunt van appellante’s leven bij [X] lag.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de intrekking van bijstand over 1 januari 2007 tot 30 april 2010 in stand bleef en herroept het besluit over de periode 14 oktober 2002 tot 30 april 2010. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering voor de periode 1 mei 2010 tot 31 mei 2012. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Raad vernietigt de intrekking van bijstand over 2002-2010 en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen over terugvordering vanaf 1 mei 2010.