Uitspraak
17.8250 AW, 18/3862 AW
OVERWEGINGEN
24 maart 2017 is de korpschef door appellant in gebreke gesteld. De korpschef is tot
29 mei 2018 in gebreke geweest en heeft daarmee de maximale dwangsom van € 1.260,- verbeurd. Het instellen van hoger beroep door de korpschef doet hieraan niet af, nu dat geen schorsende werking heeft. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is dus gegrond. De Raad zal bepalen dat de korpschef aan appellant een dwangsom van € 1.260,- verbeurt.
Wob-overzicht ingegaan. Daarom kan niet worden geverifieerd of daadwerkelijk stringenter is getoetst aan het criterium van overbezetting. De korpschef stelt alleen dat in de gevallen uit de overzichten sprake was van een bijzondere situatie, maar dit wordt niet nader toegelicht aan de hand van die specifieke gevallen. Evenmin is toegelicht in welke gevallen eventueel sprake wasvan onderbezetting. Verder heeft de gemachtigde verklaard dat van de categorie 1 aanvragen er 433 zijn toegekend en twee geweigerd, terwijl in categorie 2, waartoe appellant behoort, 340 aanvragen zijn toegekend en vier geweigerd. Nog daargelaten dat deze aantallen niet blijken uit de gedingstukken en daarom niet kunnen worden geverifieerd, blijkt hieruit niet van de stringentere toepassing. Het toegenomen aantal weigeringen, met twee stuks, zegt bij gebrek aan informatie over het totaal aantal aanvragen in categorie 1 onderscheidenlijk categorie 2 niets, terwijl het aantal van vier weigeringen in verhouding tot het aantal toekenningen in dit verband niet overtuigt. Waar de gemachtigde van de korpschef ter zitting van de Raad heeft meegedeeld dat bij de beoordelingen ook de gunfactor een zekere rol speelde, ontstaat door een en ander het beeld dat niet stringenter is getoetst. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de korpschef er opnieuw niet in geslaagd is om alsnog concreet aan de hand van het Wob-overzicht de in verband hiermee door appellant ingenomen stellingen te weerleggen en aannemelijk te maken dat het overbezettingscriterium door hem sinds
,gebruik heeft gemaakt van de regeling partieel uittreden (RPU). Dat heeft in zijn situatie geleid tot een vermindering van het aantal gewerkte uren per week met 33,3% en dienovereenkomstige vermindering van salaris, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, waarvan de helft door de korpschef en de andere helft door appellant is gedragen.
(11 keer € 500,- en 7 keer € 330,- ) in totaal. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 7.810,-.
BESLISSING
29 mei 2018;