Appellant had na het faillissement van zijn werkgever recht op een WW-uitkering gebaseerd op een hoog dagloon (WW-recht 1). Vervolgens trad hij in dienst bij twee verschillende werkgevers (dienstverband 2 en 3) met een lager loon. Het Uwv berekende een nieuw WW-recht (WW-recht 2) met een lager dagloon, wat appellant betwistte.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor dagloongarantie onder het Dagloonbesluit 2015 en wees het beroep af. Appellant stelde dat zijn situatie vergelijkbaar was met een groep werknemers die onder overgangsrecht vallen, omdat hij voor 24 april 2015 arbeid tegen een lager loon had aanvaard en er sprake was van overlappende dienstverbanden.
De Raad stelde vast dat dienstverband 2 en 3 niet als één dienstverband kunnen worden beschouwd en dat het WW-recht voortvloeit uit dienstverband 3, dat na 23 april 2015 is aangevangen. Hierdoor valt appellant niet onder de overgangsrechtgroep. Het Uwv heeft het dagloon correct berekend volgens het Dagloonbesluit 2015. Het beroep tegen het besluit van 21 april 2016 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het beroep tegen het latere besluit wordt ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten en verklaart het griffierecht voor appellant vergoed. De uitspraak bevestigt de toepassing van het Dagloonbesluit 2015 bij opeenvolgende dienstverbanden en benadrukt de noodzaak van overgangsrecht voor specifieke gevallen.