Uitspraak
16.7673 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
voor zover daarbij de hoogte van de boete is vastgesteld op € 3.980,-;
plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 23 februari 2016;
van in totaal € 170,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand en beschikte over meerdere bankrekeningen, waaronder een vermogensspaarrekening die zij niet had gemeld. Het college trok de bijstand in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college terecht de bijstand introk omdat appellante redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken. De stelling dat het geld een schuld aan haar ouders betrof en daardoor niet tot haar vermogen behoorde, faalt omdat geen concrete, objectieve en verifieerbare gegevens zijn geleverd.
De boete is echter gematigd van €3.980,- naar €1.195,87, rekening houdend met de financiële draagkracht van appellante. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De boete wegens het niet melden van een bankrekening wordt gematigd tot €1.195,87 en het beroep wordt gegrond verklaard.