ECLI:NL:CRVB:2019:2389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken feitelijke ondergeschiktheid als directeur-grootaandeelhouder
Appellant, directeur-grootaandeelhouder (dga) van een vennootschap, vorderde een WW-uitkering die door het UWV werd geweigerd omdat hij niet als werknemer werd beschouwd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen, omdat appellant onvoldoende had aangetoond feitelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) vóór 1 december 2015.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen dat hij feitelijk ondergeschikt was vanwege een optierecht en de feitelijke zeggenschap van andere aandeelhouders, maar kon dit niet met concrete feiten onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant door zijn aandelenbezit en statutaire bevoegdheden een beslissende stem had en dus niet ondergeschikt was.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de referte-eis van 26 weken arbeid als werknemer voorafgaand aan de werkloosheid en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.