Uitspraak
18.3051 WMO15-PV
BESLISSING
Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan in die uitspraken.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam dat zijn verzoek om een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) heeft afgewezen. Het college stelde dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft, waardoor hij geen aanspraak kan maken op deze voorziening.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en verwees daarbij naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij medische noodzaak heeft voor beschermd wonen en dat ook vreemdelingen aanspraak zouden moeten kunnen maken op deze zorg, zeker omdat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid deze zorg niet biedt en het college de toegang tot zorgaanbieders blokkeert.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant geen vreemdeling is zoals bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad bevestigt de vaste rechtspraak dat vreemdelingen zoals appellant geen aanspraak kunnen maken op een maatwerkvoorziening beschermd wonen onder de Wmo 2015.
De Raad ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en wijst het hoger beroep af. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om beschermd wonen wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.